Verhalen uit de oude doos van Ton Balk
In 1941 werd ik lid van A.C.C. Eerder was ik al als scorer bezig. De toenmalige gezaghebbende voorzitter van de N.D.C.B. (Nederlandsche Dames Cricket Bond), mevrouw Sabelson, had mij niet zonder bijbedoelingen vertrouwd gemaakt met degeheimen van het scoringboek. Ook had ik toen al een verleden in de cricketstad Schiedam door logeerpartijen bij mijn neef Victor.
We speelden daar cricket met tennisballen en zelfgemaakte bats met jongens uit de buurt op door de crisisjaren ongebruikt gebleven bouwterreintjes. Hoogtepunten waren natuurlijk de bezoeken van wedstrijden op het toenmalige veld van Hermes D.V.S. Er werd daar vanwege de geringe omvang van het veld van één kant gebowled en de zessen vlogen nog al eens hoog tegen de gevels van de huizen van de Damlaan.
In de oorlogsjaren waren er voor mij verschillende mogelijkheden om te cricketen. De eerste was natuurlijk het junioren team op woensdagmiddag. Alle leeftijden tot 18 jaar bij elkaar. Ik speelde toen met de broers Van Weelde, Schatens, Van der Hurk, met Pierre Eskes, Hans Schooneveldt, George Zeegers, Herbert Kuyper, Wim Feldmann, Fred van Soomeren en vele anderen. Onze belangrijkste concurrent was meestal Cr.I.C. met o.a. Ben Teeuwisse, Ad Kooyman, Ton Santen, Bert van der Heijden, Fons Pelser, Lou van Adrichem, Frans vander Liet, Piet van Outersterp, Berry Nooy, Ton de Haan, de gebroeders Schoordijk en Klinkhamer, enz. Samengevat: altijd spannende wedstrijden! Hoogtepunten van het jaar waren de toen ook al plaats vindende Flamingo Juniores toernooien .A.C.C. was daarbij steeds van de partij. De Amsterdamse Cricket Bond organiseerde voor de zaterdagmiddagen een competitie waaraan behalve teams van V.R.A., V.V.V., Cr.I.C. en A.C.C. z.g. kantoor elftallen meededen. Ik herinner me de teams Amsterda (Amsterdamse Bank), Robaver (Rotterdamse Bank), Deneba (Nederlandse Bank), Twentse Bank, Nehamij (Nederlandse Handel Maatschappij), K.N.S.M., Rood Zwart (Gemeente Amsterda ) en P.S.Z. (Personeel Sociale Zaken). Bij A.C.C. werd het elftal het “Heerenteam” genoemd. Het stond geruimetijd onder leiding van Mr. Fred Sabelson (tevens onze voorzitter). Meestal kwam een aantal Heeren niet opdagen. Dan stonden altijd juniores klaar om in te vallen. En als dat niet lukte kon je vaak ook wel bij de tegenpartij invallen. Een bijzondere cricketcompetitie voor “amateurs”. De A.C.C.-wedstrijden werden meestal op uitvoerige enoriginele manier beschreven in de voortreffelijke “A.C.C.-pitch” (redacteur Mr. Arnold Eysvogel). De auteur onder de naam “Arend” was jarenlang medespeler Arie Waayer. Ook voor de zondagen gold dat je als junior-speler dikwijls op het laatste moment een invallersplaats kon innemen. Als je wilde was het dus wel mogelijk om drie maal per week te cricketen!
Intussen was het eerste elftal van A.C.C. na een kampioenschap in de Overgangsklasse in 1939 gepromoveerd naar de hoogste cricketafdeling. In 1940 volgde opnieuw een kampioenschap, ditmaal van een in verband met de oorlogsomstandigheden georganiseerde “noodcompetitie”. Ik herinner me wedstrijden in dat jaar met topprestaties van de bowlers vader Piet Sanders (spinnende legbreaks afgewisseld met pittigeoffbraeks) en zoon Piet Sanders (constante fastbowler op of netbuiten de off stump – met minstens 4 man in de slips natuurlijk). Dikwijls bowlden zij unchanged. Dat mocht toen nog. Mede daardoor waren de totalen aanzienlijk lager dan nu. Een overwinning “met innings” was toen ook nog regelmatig aan de orde. Andere tijden dus. Een lange periode van topprestaties van het sterke A.C.C.1 was toenaan de gang. Minder sterke spelers als Ton Balk moesten het zoeken inhet tweede of derde elftal. Dat gebeurde overigens met veel plezier. Ik speelde onder captains als Lou Woudstra Sr., Piet Sanders Sr., Dick Disselkoen, Piet Nauta, Dick Van Gemen en Jan Hendriks. Later volgde voor mij A.C.C.4 waar ik gedurende 15 jaar captain mocht zijn van het z.g. opleidingselftal. De formule daarvan was 3 of 4 ouderen met 7 of 8 jongens “in opleiding”. Tot de ouderen behoorden o.a. Harry Scheepstra, Pim Schatens, Karel Prior, Ton de Haan, Ernst Offerman en Max de Bruin Sr..
Om volledig te zijn over mijn cricket verleden moet ik nog meldingmaken van de wedstrijden series (kort na de oorlog) van teams van studenten van de verschillende universiteiten. Het Amsterdamse studententeam stond onder leiding van Harry Peschar. Ik mocht als jongere jaars de secretaris functie van het team vervullen. Ook speeldeik in die tijd wedstrijden in het touringteam “The Grubbers”. Voornamelijk leden van Kampong deden daar aan mee. Ik denk aan de broers De Waard (3x), Van Esveld (2x), Hardebol (2x), Henk de Ruiter, Frank Kramer en Loet Clarenburg. Wij reisden in die tijdverschillende keren helemaal naar Tilburg, Breda, Nijmegen, Arnhem, Deventer en Enschede. Buitenlandse trips waren toen nog niet aan bod. Op mijn 50ste stopte ik als actief cricketer. Daarvoor in de plaats: umpiren en kijken naar de prestaties van de zonen Roelof en Jan, dikwijls zorgvuldig geregistreerd door scoorster dochter Marleen.
Van groot belang voor een “loopbaan” als cricketer zijn natuurlijk degenen die het organisatorisch mogelijk maken. Bij A.C.C. speelde op dat vlak vanaf de jaren ’30 lange tijd Willem Staats een belangrijke rol. Vooral in de oorlogsjaren -- geen invoer van materiaal uit Engeland - moest bijvoorbeeld veel worden gedaan aan reparatie van bats, legguards, handschoenen, enz. . Dat gebeurde in de wintermaanden in zijn etablissement op het Rembrandtplein, waar al het cricketmateriaal in een fraaie ruimte op één hoog met uitzicht op het toen rustige plein was opgeslagen. Wij werden als jongens ingeschakeldom hem daarbij te helpen. Wellicht in relatie met mijn ervaring en daarmee werd ik in 1948 als commissaris van materiaal in het bestuurvan A.C.C. opgenomen. Dat duurde maar één jaar. Militaire dienstmaakte er een einde aan. Ook mocht ik in die tijd secretaris Eysvogel in het bij hem thuis – Valeriusstraat 6 – gevestigde advocatenkantoor helpen bij het noteren van de jaarprestaties van de elftallen. In een groot boek werd allesmet de hand genoteerd. En daarna de gemiddelden uitrekenen!
Heel wat jaren later, het was inmiddels 1988, werd me gevraagd ompenningmeester te worden van de K.N.C.B.. Dat had kennelijk te makenmet het feit dat ik toen mijn werk in een aanverwant beroep net had afgerond. Het werd voor mij na een moeilijk begin met “lijken in de kast” een uiterst plezierige aangelegenheid in een bijzonder professioneel werkend bestuur onder leiding van Steven van Hoogstraten. Ook de contacten met de Financiële Commissie van de K.N.C.B. onder leiding van Harry Peschar heb ik erg positief gevonden.Een belangrijk evenement in die jaren was het organiseren van het I.C.C.-toernooi in Nederland met veel landenteams. Dat liep, ondanks nog al wat trammelant met het I.C.C.-bestuur, uitstekend, vooral dankzij de “projectleider” van dat toernooi, Jan Wilts. Tijdens het slotdiner in de Pieterskerk in Leiden deed zich een probleempje voor. Doordat verschillende deelnemers met twee maaltijden aan de haal gingen bleken de laatste tafels het zonder te moeten stellen. Het kostte de nodige moeite om een aanvaarbare oplossing te vinden! In 1993 kwam er een einde aan mijn penningmeesterschap. Door problemen met de opvolging werd ik in 1994 gevraagd opnieuw penningmeester te worden. Ik heb dat toen niet gedaan maar ik heb wel nog weer vijf jaar het financiële werk van het bestuur gedaan. Dat was dankzij de hulpv an Alex de la Mar en Tecla Wilts, ondanks de toenemende bureaucratisering in de subsidie regelgeving door NOC/NSF en het desbetreffende ministerie, opnieuw een plezierige aangelegenheid.
Ton Balk, januari 2012





