Return to site

Verhalen uit de oude doos van Ton Balk

Ernst-Pieter Knüpfer kwam onderstaand verhaal van de nog altijd in Bloemendaal wonende 99-jarige Ton Balk tegen op de website van SGS. Het leek onze secretaris een goed idee om het door het oudste lid van ACC in 2012 geschreven stuk ook op onze website te zetten. Ideeal voor de lange winteravonden!

Verhalen uit de oude doos van Ton Balk

Mijn vader werd omstreeks 1910 lid van A.F.C.. De dochtervereniging A.C.C. werd in 1921 opgericht, ik in 1927.

Een en ander leidde er toe dat ik vóór en in de oorlog regelmatig met mijn vader op de zondagen op de sportvelden aan de Zuidelijke Wandelweg aanwezig was. A.C.C. speelde ’s zomers op het “Tweede Veld” van de voetbalclub. Achter het derde veld stond aanvankelijk de cricketkooi waar ik de cracks van A.C.C. kon zien oefenen. Mannen als vader en zoon Piet Sanders, de topvoetballer en cricket allrounder Charles Lungen, Dick de Baare, Wally van Weelde, Lou van Kranendonk, de broers Immig en Prent, Willem Staats en nog een heleboel anderen. Dat alles onder het toeziend oog van terreinknecht Dirk en zijn altijd lawaai makend werkpaard, die samen de terreinen in orde moesten houden.

Dat was vaak moeilijk in de maand mei. De voetballers en cricketers wilden dan tegelijkertijd het Tweede Veld bezetten en bovendien moest in het voorjaar het dikwijls afgetrapte, voor een deel zwart geworden veld worden omgetoverd tot een aanvaardbare cricketground. Maar gelukkig konden wij het veld van de Twentse Bank gebruiken als reserveveld.

In 1941 werd ik lid van A.C.C..

Eerder was ik al als scorer bezig. De toenmalige gezaghebbende voorzitter van de N.D.C.B. (Nederlandsche Dames Cricket Bond), mevrouw Sabelson, had mij niet zonder bijbedoelingen vertrouwd gemaakt met de geheimen van het scoringboek.

Ook had ik toen al een verleden in de cricketstad Schiedam door logeerpartijen bij mijn neef Victor. We speelden daar cricket met tennisballen en zelfgemaakte bats met jongens uit de buurt op door de crisisjaren ongebruikt gebleven bouwterreintjes. Hoogtepunten waren natuurlijk de bezoeken van wedstrijden op het toenmalige veld van Hermes D.V.S. Er werd daar vanwege de geringe omvang van het veld van één kant gebowled en de zessen vlogen nog al eens hoog tegen de gevels van de huizen van de Damlaan.

In de oorlogsjaren waren er voor mij verschillende mogelijkheden om te cricketen. De eerste was natuurlijk het juniorenteam op woensdagmiddag. Alle leeftijden tot 18 jaar bij elkaar. Ik speelde toen met de broers Van Weelde, Schatens, Van der Hurk, met Pierre Eskes, Hans Schooneveldt, George Zeegers, Herbert Kuyper, Wim Feldmann, Fred van Soomeren en vele anderen. Onze belangrijkste concurrent was meestal Cr.I.C. met o.a. Ben Teeuwisse, Ad Kooyman, Ton Santen, Bert van der Heijden, Fons Pelser, Lou van Adrichem, Frans van der Liet, Piet van Outersterp, Berry Nooy, Ton de Haan, de gebroeders Schoordijk en Klinkhamer, enz.

Samengevat: altijd spannende wedstrijden! Hoogtepunten van het jaar waren de toen ook al plaats vindende Flamingo Juniores toernooien. A.C.C. was daarbij steeds van de partij.

De Amsterdamse Cricket Bond organiseerde voor de zaterdagmiddagen een competitie waaraan behalve teams van V.R.A., V.V.V., Cr.I.C. en A.C.C. z.g. kantoorelftallen meededen. Ik herinner me de teams Amsterda ( Amsterdamse Bank ), Robaver ( Rotterdamse Bank ), Deneba ( Nederlandse Bank ), Twentse Bank, Nehamij ( Nederlandse Handel Maatschappij ), K.N.S.M., Rood Zwart ( Gemeente Amsterdam ) en P.S.Z. ( Personeel Sociale Zaken ).

Bij A.C.C. werd het elftal het “Heerenteam” genoemd. Het stond geruime tijd onder leiding van Mr. Fred Sabelson ( tevens onze voorzitter ). Meestal kwam een aantal Heeren niet opdagen. Dan stonden altijd juniores klaar om in te vallen. En als dat niet lukte kon je vaak ook wel bij de tegenpartij invallen. Een bijzondere cricketcompetitie voor “amateurs” . De A.C.C.-wedstrijden werden meestal op uitvoerige en originele manier beschreven in de voortreffelijke “A.C.C.-pitch” ( redacteur Mr. Arnold Eysvogel ). De auteur onder de naam “Arend” was jarenlang medespeler Arie Waayer.

Ook voor de zondagen gold dat je als junior-speler dikwijls op het laatste moment een invallersplaats kon innemen. Als je wilde was het dus wel mogelijk om drie maal per week te cricketen!

Intussen was het eerste elftal van A.C.C. na een kampioenschap in de Overgangsklasse in 1939 gepromoveerd naar de hoogste cricketafdeling. In 1940 volgde opnieuw een kampioenschap, ditmaal van een in verband met de oorlogsomstandigheden georganiseerde “noodcompetitie”. Ik herinner me wedstrijden in dat jaar met topprestaties van de bowlers vader Piet Sanders ( spinnende legbreaks afgewisseld met pittige offbraeks ) en zoon Piet Sanders ( constante fastbowler op of net buiten de off stump – met minstens 4 man in de slips natuurlijk ). Dikwijls bowlden zij unchanged. Dat mocht toen nog. Mede daardoor waren de totalen aanzienlijk lager dan nu. Een overwinning “met innings” was toen ook nog regelmatig aan de orde. Andere tijden dus.

Een lange periode van topprestaties van het sterke A.C.C.1 was toen aan de gang. Minder sterke spelers als Ton Balk moesten het zoeken in het tweede of derde elftal. Dat gebeurde overigens met veel plezier. Ik speelde onder captains als Lou Woudstra Sr., Piet Sanders Sr., Dick Disselkoen, Piet Nauta, Dick Van Gemen en Jan Hendriks. Later volgde voor mij A.C.C.4 waar ik gedurende 15 jaar captain mocht zijn van het z.g. opleidingselftal. De formule daarvan was 3 of 4 ouderen met 7 of 8 jongens “in opleiding”. Tot de ouderen behoorden o.a. Harry Scheepstra, Pim Schatens, Karel Prior, Ton de Haan, Ernst Offerman en Max de Bruin Sr..

Om volledig te zijn over mijn cricketverleden moet ik nog melding maken van de wedstrijdenseries ( kort na de oorlog ) van teams van studenten van de verschillende universiteiten. Het Amsterdamse studententeam stond onder leiding van Harry Peschar. Ik mocht als jongerejaars de secretarisfunctie van het team vervullen. Ook speelde ik in die tijd wedstrijden in het touringteam “The Grubbers”. Voornamelijk leden van Kampong deden daar aan mee. Ik denk aan de broers De Waard ( 3x ), Van Esveld ( 2x ), Hardebol ( 2x ), Henk de Ruiter, Frank Kramer en Loet Clarenburg. Wij reisden in die tijd verschillende keren helemaal naar Tilburg, Breda, Nijmegen, Arnhem, Deventer en Enschede. Buitenlandse trips waren toen nog niet aan bod.

Op mijn 50ste stopte ik als actief cricketer. Daarvoor in de plaats: umpiren en kijken naar de prestaties van de zonen Roelof en Jan, dikwijls zorgvuldig geregistreerd door scoorster dochter Marleen.

Van groot belang voor een “loopbaan” als cricketer zijn natuurlijk degenen die het organisatorisch mogelijk maken.

Bij A.C.C. speelde op dat vlak vanaf de jaren ’30 lange tijd Willem Staats een belangrijke rol. Vooral in de oorlogsjaren -- geen invoer van materiaal uit Engeland - moest bijvoorbeeld veel worden gedaan aan reparatie van bats, legguards, handschoenen, enz. . Dat gebeurde in de wintermaanden in zijn etablissement op het Rembrandtplein, waar al het cricketmateriaal in een fraaie ruimte op één hoog met uitzicht op het toen rustige plein was opgeslagen. Wij werden als jongens ingeschakeld om hem daarbij te helpen. Wellicht in relatie met mijn ervaringen daarmee werd ik in 1948 als commissaris van materiaal in het bestuur van A.C.C. opgenomen. Dat duurde maar één jaar. Militaire dienst maakte er een einde aan.

Ook mocht ik in die tijd secretaris Eysvogel in het bij hem thuis – Valeriusstraat 6 – gevestigde advocatenkantoor helpen bij het noteren van de jaarprestaties van de elftallen. In een groot boek werd alles met de hand genoteerd. En daarna de gemiddelden uitrekenen!

Heel wat jaren later, het was inmiddels 1988, werd me gevraagd om penningmeester te worden van de K.N.C.B.. Dat had kennelijk te maken met het feit dat ik toen mijn werk in een aanverwant beroep net had afgerond. Het werd voor mij na een moeilijk begin met “lijken in de kast” een uiterst plezierige aangelegenheid in een bijzonder professioneel werkend bestuur onder leiding van Steven van Hoogstraten. Ook de contacten met de Financiële Commissie van de K.N.C.B. onder leiding van Harry Peschar heb ik erg positief gevonden.

Een belangrijk evenement in die jaren was het organiseren van het I.C.C.-toernooi in Nederland met veel landenteams. Dat liep, ondanks nog al wat trammelant met het I.C.C.-bestuur, uitstekend, vooral dankzij de “projectleider” van dat toernooi, Jan Wilts. Tijdens het slotdiner in de Pieterskerk in Leiden deed zich een probleempje voor. Doordat verschillende deelnemers met twee maaltijden aan de haal gingen bleken de laatste tafels het zonder te moeten stellen. Het kostte de nodige moeite om een aanvaarbare oplossing te vinden!

In 1993 kwam er een einde aan mijn penningmeesterschap. Door problemen met de opvolging werd ik in 1994 gevraagd opnieuw penningmeester te worden. Ik heb dat toen niet gedaan maar ik heb wel nog weer vijf jaar het financiële werk van het bestuur gedaan. Dat was dankzij de hulp van Alex de la Mar en Tecla Wilts, ondanks de toenemende bureaucratisering in de subsidieregelgeving door NOC/NSF en het desbetreffende ministerie, opnieuw een plezierige aangelegenheid.

Ton Balk, januari 2012